AUGUSTINUS contra MANI




9 oktober 1998

menukaart
benedictus
woestijnvaders





Augustinus




      Is het niet absurd dat iemand die zich dagelijks volpropt met paddestoelen, rijst, truffels, cake, mede, peper en assafoetida er niet van kan worden beschuldigd de drie symbolen te hebben overschreden?

      Wat een verwarring van ideeën! Wat een ontstellende domheid! ... In je wijsheid en benevolentie schenk je een komkommer meer genade dan een mens ... Je hebt meer medelijden met meloenen dan met mensen ... Is dit nu prijzenswaardige compassie of is het veeleer een afschuwelijke barbarij?

      We zien en horen aan hun geschreeuw dat dieren een pijnlijke dood sterven. Maar de mens gaat hieraan voorbij, omdat er tussen ons en de beesten, die een rationele ziel ontberen, geen rechtsgemeenschap is. - Augustinus, Over de moraal der Manicheïsten


Augustinus, de 'grootste der Latijnse kerkvaders', heeft veel invloed uitgeoefend op de ontwikkeling van het christendom. Hij heeft zo mede het afwijzend oordeel van de Kerk over de vegetarische metafysica van de gnostici bepaald.

Augustinus werd geboren te Thagaste, niet ver van Carthago, het huidige Tunis. Hij werd christelijk opgevoed, maar, maar als jongeling voelde hij zich aangetrokken tot het manicheïsme. Hierdoor kon hij deze ketterse leer later, na zijn bekering met des te meer inzicht en succes bestrijden. In Augustinus' tijd was het manicheïsme nog invloedrijk in Noord-Afrika, ogenschijnlijk zonder veel last te ondervinden van het keizerlijk edict tegen de secte. Augustinus, gedreven door een vurig waarheidsverlangen, trachtte zijn vrienden en huisgenoten te bekeren tot het manicheïsme. Hij daagde hen uit tot discussies en sprak met minachting over de kerkelijke sacramenten, tot groot verdriet van zijn trotse moeder Monnica die voor hem een christelijker carrière op het oog had.
Maar na enige tijd begon Augustinus' enthousiame voor het manicheïsme te tanen: "the astrological superstitions springing from the credulity of its disciples offended his reason", aldus de Internet Enclyclopedia of Philosophy (1996) (waaruit ook de meeste andere biografische gegevens afkomstig zijn). Augustinus kreeg nu interesse voor de filosofie en las Cicero. Hij vertrok naar Rome en kort daarop naar Milaan waar hij docent retorica werd. In Milaan luisterde de sceptisch geworden Augustinus naar de preken van bisschop Ambrosius en hij keek op van diens allegorische uitleg van het Oude Testament, al was hij voornamelijk onder de indruk van Ambrosius' welsprekendheid. In deze tijd leidde Augustinus een losbandig leven en hij begon meer en meer de spanning te voelen tussen zijn ascetisch-filosofische idealen en zijn feitelijke levenswandel. Die spanning werd groter toen hij kennis maakte met het neoplatonisme. Een oud idealisme werd in hem gewekt. Ook kwam hij nu dichter bij de Kerk te staan. Het werd hem hoe langer hoe ondraaglijker dat eenvoudige lieden wel lukte wat hem, Augustinus, met al zijn geleerdheid niet lukte: "that the unlearned should take the kingdom of heaven by violence, while he ... was still held captive by the flesh". Op een dag in de zomer van 386, barstte Augustinus onder een vijgeboom in snikken uit. En hij hoorde toen een kinderstem de woorden Tolle, lege (Neem, lees) herhalen. Augustinus begon daarop een willekeurige passage in 'het boek van de apostel' te lezen: "Laten wij, als bij lichte dag, eerbaar wandelen, niet in brasserijen en drinkgelagen, niet in wellust en losbandigheid, niet in twist en nijd!" (Rom. 13:13) Het was alsof er een boodschap in zijn ziel werd gebrand. Vanaf dit moment zou Augustinus breken met zijn oude gewoonten. In het voorjaar van 387 liet hij zich dopen.

Terug in Rome kwam Augustinus nu tegenover zijn oude vrienden de manicheïsten te staan. Er brak een heftige polemiek los. In 388 schreef de pas bekeerde Over de moraal der Manicheïsten, een genadeloze afrekening. Uit dit strijdschrift komen de volgende (onvertaalde) passages met betrekking tot het eten van vlees. Zij geven niet alleen een beeld van Augustinus' bijbelse opvattingen, maar ook van de praktijken der Manicheïsten (zoals Augustinus die zag en beoordeelde).

Suppose, what is quite possible, that there is one so frugal and sparing in his diet, that, instead of gratifying his appetite or his palate, he refrains from eating twice in one day, and at supper takes a little cabbage moistened and seasoned with lard, just enough to keep down hunger and quenches his thirst, from regard to his health, with two or three draughts of pure wine and this is his regular diet: whereas another of different habits never takes flesh or wine, but makes an agreeable repast at two o'clock on rare and foreign vegetables, varied with a number of courses, and well sprinkled with pepper, and sups in the slime style towards night and drinks honey-vinegar, mead, raisin-wine, and the juices of various fruits, no bad imitation of wine, and even surpassing it in sweetness and drinks not for thirst but for pleasure and makes this provision for himself daily, and feasts in this sumptuous style, not because he requires it, but only gratifying his taste--which of these two do you regard as living most abstemiously in food and drink? You cannot surely be so blind as not to put the man of the little lard and wine above this glutton!

In zijn Bijbel vindt Augustinus drie goede redenen om van bepaalde soorten voedsel af te zien:

No one denies that this is good, provided that it is for the end already mentioned, of which it is said, "make not provision for the flesh to fulfill the lusts thereof" or for the ends pointed out by the apostle, namely, either to check the appetite, which is apt to go to a more wild and uncontrollable excess in these things than in others, or lest a brother should be offended, or lest the weak should hold fellowship with an idol. For at the time when the apostle wrote, the flesh of sacrifices was often sold in the market. And because wine, too, was used in libations to the gods of the Gentiles, many weaker brethren, accustomed to purchase such things, preferred to abstain entirely from flesh and wine rather than run the risk of having fellowship, as they considered it, with idols, even ignorantly. And, for their sakes, even those who were stronger, and had faith enough to see the insignificance of these things, knowing that nothing is unclean except from an evil conscience, and holding by the saying of the Lord, "Not that which entereth into your mouth defileth you, but that which cometh out of it," (Mt. 15:11) ... still, lest these weaker brethren should stumble, were bound to abstain from these things. And this is not a mere theory, but is clearly taught in the epistles of the apostle himself. For you are in the habit of quoting only the words, "It is good, brethren, neither to eat flesh, nor to drink wine," without adding what follows, "nor anything whereby thy brother stumbleth, or is offended or is made weak." These words show the intention of the apostle in giving the admonition. This is evident from the preceding and succeeding context. The passage is a long one to quote, but, for the sake of those who are indolent in reading and searching the sacred Scriptures, we must give the whole of it.

Augustinus citeert vervolgens een aantal langere passages uit het Nieuwe Testament, waaronder I Cor. 8 over het eten van offervlees. Paulus zegt hier dat voor wie sterk staat in het geloof, niets onrein is, ook niet aan afgoden geofferd vlees. Maar Paulus voegt daaraan toe dat christenen degenen moeten ontzien die hiermee nog moeite hebben en daarom is het beter dat de sterkeren in de nabijheid van de zwakkeren afzien van dit offervlees:

Is it not clear that what the apostle required was, that the stronger should not eat flesh nor drink wine, because they gave offense to the weak by not going along with them, and made them think that those who in faith judged all things to be pure, did homage to idols in not abstaining from that kind of food and drink? ... It is clear, then, I think, for what end we should abstain from flesh and wine. The end is threefold: to check indulgence, which is mostly practised in this sort of food, and in this kind of drink goes the length of intoxication to protect weakness, on account of the things which are sacrificed and offered in libation and, what is most praiseworthy of all, from love, not to offend the weakness of those more feeble than ourselves, who abstain from these things.

Een zorgvuldige en getrouwe weergave van het Nieuwe Testament met betrekking tot het eten van vlees.

Nu beschrijft Augustinus de redenen waarom de Manicheďsten het gebruik van vlees verbieden. Goed en Kwaad gaan in de manicheïstische leer een soort osmotische reacties aan met de planten die de goddelijke elementen - op weg van het binnenste der aarde naar God - via hun wortels in zich opzuigen en deze 'stoffen' doorgeven aan dieren en mensen die ze op hun beurt verwerken en afscheiden, een zuiveringsproces naar boven, waarbij tegelijkertijd allerlei vuil naar beneden bezinkt:

It is worth while to take note of the whole reason for their superstitious abstinence, which is given as follows:--Since, we are told, the member of god has been mixed with the substance of evil, to repress it and to keep it from excessive ferocity,--for that is what you say,--the world is made up of both natures, of good and evil, mixed together. But this part of God is daily being set free in all parts of the world, and restored to its own domain. But in its passage upwards as vapor from earth to heaven, it enters plants, because their roots are fixed in the earth, and so gives fertility and strength to all herbs and shrubs. From these animals get their food, and, where there is sexual intercourse, fetter in the flesh the member of God, and, turning it from its proper course, they come in the way and entangle it in errors and troubles. So then, if food consisting of vegetables and fruits comes to the saints, that is, to the Manichaeans by means of their chastity, and prayers, and psalms, whatever in it is excellent and divine is purified, and so is entirely perfected, in order to restoration, free from all hindrance, to its own domain. Hence you forbid people to give bread or vegetables, or even water, which would cost nobody anything, to a beggar, if he is not a Manichaean, lest he should defile the member of God by his sins, and obstruct its return. Flesh, you say, is made up of pollution itself. For, according to you, some portion of that divine part escapes in the eating of vegetables and fruits: it escapes while they undergo the infliction of rubbing, grinding, or cooking, as also of biting or chewing. It escapes, too, in all motions of animals, in the carriage of burdens, in exercise, in toil, or in any sort of action. It escapes, too, in our rest, when digestion is going on in the body by means of internal heat. And as the divine nature escapes in all these ways, some very unclean dregs remain, from which, in sexual intercourse, flesh is formed. These dregs, however, fly off, in the motions above mentioned, along with what is good in the soul for though it is mostly, it is not entirely good. So, when the soul has left the flesh, the dregs are utterly filthy, and the soul of those who eat flesh is defiled.

Augustinus is zeer verontwaardigd over de 'monstrous tenets' van de manicheïsten en begint nu - met Gods welbevinden - aan een zeer breedsprakige weerleggingspoging (waaruit ik zwaar heb geknipt):

Why is it that in a rose you hold the red color to be an indication of an abundance of good, while the same color in blood you condemn? Why do you regard with pleasure in a violet the same color which you turn away from in cases of cholera, or of people with jaundice, or in the excrement of infants? ... Again, if this good is discovered also by smell, perfumes of excellent smell are made from the flesh of some animals. And the smell of food, when cooked along with flesh of delicate flavor, is better than if cooked without it. Once more, if you think that the things that have a better smell than others are therefore cleaner, there is a kind of mud which you ought to take to your meals instead of water from the cistern for dry earth moistened with rain has an odor most agreeable to the sense, and this sort of mud has a better smell than rain-water taken by itself.

Dit gaat zo door, bladzijden lang. Allerlei tegenvoorbeelden draagt Augustinus aan, op allerlei tegenwerpingen anticipeert hij:

What then remains, but that you should cease saying that you have in your eyes, nose, and palate sufficient means of testing the presence of the divine part in material objects? And, without these means, how can you tell not only that there is a greater part of God in plants than in flesh, but that there is any part in plants at all? ... The whole is absurd. But, as far as I can judge, there are no marks or appearances to give rise to this opinion ... I do not suppose that you will find any proof from your bodily senses that flesh is unclean, and defiles the souls of those who eat it that fruits, when plucked, kept, handled, cooked, and digested, are forsaken by the good, and therefore supply most unclean matter for the formation of bodies ... What a confusion of ideas! What amazing fatuity! All this you would have escaped, if you had rejected idle fictions, and had followed what truth sanctions in abstinence from food, which would have taught you that sumptuous eating is to be avoided ... to subdue the sensual appetite ... You forbid giving bread to beggars. By way of showing compassion, or rather of avoiding reproach, you advise to give money ... You, in your wisdom and benevolence, have more mercy on a cucumber than on a human being.

In het nu volgende verdwijnt alle respect voor het leven. Augustinius beroept zich op de autoriteit van Christus en de Heilige Schrift om aan te tonen dat er geen rechtsgemeenschap bestaat tussen ons, de dieren en planten:

He (Jezus) both sent the devils into an herd of swine (de bezetene), and withered by His curse a tree in which He had found no fruit. The swine assuredly had not sinned, nor had the tree. We are not so insane as to think that a tree is fruitful or barren by its own choice ... But assuredly the Son of God would not commit murder to illustrate truth, if you call the destruction of a tree or of an animal murder. The signs which Christ wrought in the case of men, with whom we certainly have a community of rights, were in healing, not in killing them. And it would have been the same in the case of beasts and trees, if we had that community with them which you imagine ... I think it right to refer here to the authority of Scripture ... you preserve the right to call the Scriptures corrupted ... what harm is done to a tree ... if you tear it up by the root ... in the words of your founder ... to cut down a tree is to set free the soul from a body in which it makes no progress in wisdom ... If this is true, why could they [the threes] learn nothing from the apostle of light? Why could they not learn even much better than we, since they can see into the mind? Your master, who, as you say, has difficulty in teaching you by speech, might have taught these souls by thought for they could see his ideas in his mind before he expressed them ... Now, as regards killing animals, and the reasons for your opinion, much that has been said will apply also to this. For what harm will be done to the soul of a wolf by killing the wolf, since the wolf, as long as it lives, will be a wolf, and will not listen to any preacher, or give up, in the least, shedding the blood of sheep and, by killing it, the rational soul, as you think, will be set free from its confinement in the body? ... For we see and hear by their cries that animals die with pain, although man disregards this in a beast, with which, as not having a rational soul, we have no community of rights.

Met deze voor het vegetarisme blasfemische conclusie, laten wij Over de moraal der Manicheďsten verder voor wat het is. Na zijn doop keerde Augustinus terug naar Afrika en wijdde zich aan de bijbelstudie. Het is pas in deze latere jaren dat hij zich ontwikkelde tot de belangrijke theoloog. Hij schreef meer dan honderd boeken, talloze brieven en preken. Het manicheïsme bleef onderwerp van zijn kritische beschouwingen.

Met zijn vrienden stichtte Augustinus een klooster, vermoedelijk het eerste klooster in Afrika. Later werd hij bisschop van Hippo. Ter afsluiting twee citaten uit de Confessions (Augustine 1996a) geschreven tien jaar na zijn doop. De toon is nu mild:

And by Thy favour have I heard this saying likewise, which I have much delighted in, "Neither if we eat, are we the better neither if we eat not, are we the worse" (I Cor 8).
Thou hast taught me, good Father, that "unto the pure all things are pure" (Titus 1:15) but "it is evil for that man who eateth with offence" [href] "and that every creature of Thine is good, and nothing to be refused, if it be received with, thanksgiving" (Rom 14:1-12, verdraagzaamheid) and that "meat commendeth us not to God" and that no man should "judge us in meat or in drink" and that he that eateth, let him not despise him that eateth not and let not him that eateth not judge him that eateth (idem, Rom 14:1-12). These things have I learned, thanks and praise be unto Thee, O my God and Master, who dost knock at my ears and enlighten my heart deliver me out of all temptation. It is not the uncleanness of meat that I fear, but the uncleanness of lusting. I know that permission was granted unto Noah to eat every kind of flesh that was good for food that Elias was fed with flesh that John, endued with a wonderful abstinence, was not polluted by the living creatures (that is, the locusts which he fed on. I know, too, that Esau was deceived by a longing for lentiles, and that David took blame to himself for desiring water, and that our King was tempted not by flesh but bread. And the people in the wilderness, therefore, also deserved reproof, not because they desired flesh, but because, in their desire for food, they murmured against the Lord.


Sommigen betreuren het dat niet het manicheïsme, maar het christendom van Augustinus heeft gezegevierd in de strijd om het officiële geloof. Onder het manicheïsme, of een van de vele andere godsdienstige sekten zou de Europese cultuur mogelijk een vegetarische zijn geweest. Ryder (zj): "Perhaps Jesus, too, was a vegetarian, but his philosophy of love was to be warped an proselytized by less compassionate men - Paul, Augustine and Aquinas sexists and specieists all ... Spencer suggests that the dominant culture of Europe so easily could have gone another way. Instead of Pauline/Aquinan Christianity we could have had Manicheanism (a kindly and vegetarian asceticism), Neoplatonism (which owed more to Pythagoras than to Plato) or some synthesis of ideas. The fact that most sects which subsequently came to be regarded as heresies by orthodox Christianity happened also to be vegetarian meant, so Spencer implies, that vegetarianism itself came to be seen as a subversive practice. To this day vegetarians are ridiculed by guilt-ridden carnivores."

De Bijbel verschaft geen eenduidige argumenten voor of tegen de vegetarische levenswijze. Augustinus heeft dit duidelijk gemaakt en dat is op zichzelf een verdienste. Hij bepleitte daarom matigheid in de ascese. Dat deze visie het vegetarisme niet in de weg hoeft te staan blijkt hieruit dat Benedictus het standpunt van Augustinus over matiging met betrekking tot de ascese overnam. De benedictijner monniken leefden vegetarisch. Men kan Augustinus er moeilijk op aankijken dat hij het vegetarisme geen steuntje in de rug heeft gegeven zoals het evenzeer misplaatst zou zijn om de overijverige woestijnvaders te prijzen om hun fanatieke vegetarisme. Hun motieven waren zeer verschillend van die van Socrates of Apollonius van Tyana bijvoorbeeld. En zelfs wat betreft de Griekse filosofen werd reeds opgemerkt dat "the issue of pain and suffering never entered into the early debates" (James Serpell). En Mani leek zich voornamelijk zorgen te maken om een zo'n economisch mogelijke verdeling van een eindige hoeveelheid Goddelijk Licht voor zijn uitverkorenen. Vlees, zo dacht hij, schaadt de doorstroming van dit licht en houdt de ziel van de mens gevangen.

Augustinus' engagement had betrekking op een theologische kwestie: het debat over de predestinatie en de vrije wil. In tegenstelling tot de woestijnvaders die het beoefenen van de deugden tot in het absurde doorvoerden als zouden zij zich zo eigenhandig toegang tot het Koningkrijk Gods verschaffen, en in tegenstelling tot de monnik Pelagius, die het voor mogelijk hield dat de mens uit eigen kracht vrij kon worden van de zonden, benadrukte Augustinus dat bevrijding van zonden uitsluitend mogelijk was door de genade van Christus. Daarom was het extreme vasten minder noodzakelijk: "Already in the third century of the history of Christ's church, errors were present in the thinking of the church's theologians concerning salvation by grace. It was thought by some that salvation came, at least in part, through our own works. It must be remembered that the truths of sovereign grace in the work of salvation were not developed in the church until Augustine's controversy with the Pelagians and Semi-pelagians in the 5th century. ... The practice of asceticism was rooted in a wrong interpretation of the words of our Lord which commanded disciples to sell all that they had and give to the poor, and of the words of Paul that it is better not to marry" (Hanko zj).

Wat zou er gebeurd zijn indien de christelijk-ascetische leefregels de gelovigen net zo dwingend waren opgelegd als de zondagse gang naar de kerk? Hier is een mogelijk scenario: "Taking these instructions as rules of conduct in the church, many recognized that it was impossible for every member of the church to follow these injunctions of Scripture lest the church cease to exist but they nevertheless continued to consider them to be authoritative commandments. To solve the problem, many began to think in terms of a 'two-level morality'. The lower level was for the majority of God's people. They kept their possessions and married and brought forth children. But there was a higher level of morality as well. Those who chose to live on this level lived on a higher plane of holiness and, consequently, earned more favor with God" (Hanko zj). Europa zou zich misschien hebben ontwikkeld tot een kastestelsel. Onder het manicheïsme was een reëler mogelijkheid. Daar bestonden de religieuze klassen reeds: "There were two groups of Manichaeans, the class of elected, and the laymen. The class of elected, all men, were the group that were deemed to disentangle their seed of light from their bodies,- and they did not marry, did not eat meat, drink wine, work,- all they did was preaching. The laymen lived fairly normal lives. They married, but it was considered a good act to not have many children, as an increasing number of humans would mean that the light was spread in more bodies. They had only limited access to the teachings, and left much of the religious matters to the class of elected, who acted as their representatives" (Kjeilen 1996-97).

Wanneer moderne vegetariërs zonder speciale religieuze belangstelling gaan sympathiseren met historische 'ketterse' bewegingen als het manicheïsme, om geen andere reden dan dat men daar óók geen vlees at, dan is dit slecht voor het vegetarisme. Het kan leiden tot een sterke polarisatie binnen de vegetarische beweging én daarbuiten. Waaom beweert Michel Louter dat het vegetarisme al eeuwen wordt gedragen door de dualistische heilsleer van Jezus, Mani en Hitler? Een heilsleer waartegen uitgerekend Augustinus in opstand kwam. Begrijpelijk is daarom de verontwaardigde reactie van de auteur van Le Mouvement Végétariste: "Le végétarisme n’est pas une poubelle!" Het vegetarisme is geen vuilnisbak! "NON, Jésus n'était pas végétarien!" Jezus was geen vegetariër!

Kortom, het is onnodig en slecht om van het vegetarisme een bedreigende kosmogonie te maken. Vegetariërs hebben het niet nodig om te zeggen: "Zie je wel, Pythagoras was er ook één, en Jezus en Mani ook!" Veel internetpagina's bevatten 'Famous Vegetarians', 'Berühmte Vegetarier' en 'citations de végétariens connus'. Er bestaat een interenetsite met de misleidende titel: Jesus Was a Vegetarian. Eenzelfde mening wordt verkondigd door Home of the Essene Teaching on the Web. Januari 1998 liet de dierenrechtenorganisatie PETA (People for the Ethcial Treatment of Animals) een schrijven uitgaan naar 450 bisschoppen en andere bekende christelijk-religieuze leiders in Amerika waarin wordt aangetoond dat Jezus en de vroege christenen vegetariërs zouden zijn geweest ...

Op zichzelf zijn de historische gegevens en theorieën omtrent het vegetarisme van Jezus en de vroege christenen best interessant. Maar men ziet sommige vegetariërs hieruit soms toch iets te gretig putten. Dit geldt trouwens evenzeer voor de fervente anti-vegetariërs. Zo is er onder hen niet één die niet uitgebreid stilstaat bij het vegetarisme van Hitler en zijn nazi's. Niet alleen binnen de vegetarische beweging bestaat die neiging om aan het verleden te touwtrekken. Feministen zoeken in de gnosis naar het vrouwelijk godsbeeld en Augustinus is daar een 'male chauvinist'. Is men soms de christelijke ambities vergeten die moeder Monnica had voor haar zoon Augustinus? Nationalistische Grieken gaan helemaal terug tot Alexander de Grote om hun claims op Macedonië kracht bij te zetten. Aanhangers van de ketterse taalkundige beweging der semiotiek (die woorden zijn van Umberto Eco, een grondlegger van deze 'beweging') zoeken in het Corpus Hermeticum naar de bevestiging van hun taaltheorieën over verborgen betekenissen in de taal. Geldt Augustinus daar dan soms als de vader van de positivistische taalfilosofie? Kortom, een reëel gevaar van een partijdige identificatie met de 'ondergrondse' vegetarische groeperingen uit het verleden is wel dat vegetariërs zichzelf reeds beginnen te verketteren nog voordat anderen hiertoe kans hebben gezien. Het is maar zeer de vraag in hoeverre het moderne vegetarisme met de gnosis iets gemeenschappelijk heeft. Dat het vegetarisme met Augustinus nog minder te maken heeft, dat moge duidelijk zijn.


Bronnen

-Augustinus 1996a
-Augustinus 1996b
-Hanko (zj)
-Internet Encyclopedia of Philosophy (1996)
-Kjeilen (1996-97)
-Ryder (zj) (#)



menukaart
benedictus
woestijnvaders