WOESTIJNVADERS




1 mei 1998

menukaart
augustinus
bijbel



      Die broeder daar eet geen gekookt voedsel, breng hem zout!




In de vierde en de vijfde eeuw trokken monniken naar de woestijnen van Egypte, Sinaï, Palestina en Syrië. Uit deze woestijngemeenschappen zijn de latere kloosters voortgekomen. De eerste grote woestijnvader was Antonius de Grote (251-356), Vader der monniken. Antonius woonde eerst in een leeg huis in een afgelegen 'nekropool' (dodenstad). Hij kreeg een visioen en trok daarop het woestijngebergte in. Deze daad kreeg navolging: "Van alle kanten stroomden de kandidaat-eremieten toe. En toen het idee eenmaal gelanceerd was, ontsnapte geen woestijn meer aan de overbevolking van monniken", schreef een van de vroege kerkhistorici. De monniken leidden een leven van soberheid en onthechting. Zij werden verzocht en gekweld door vleselijke lusten. Overdag werkten en baden zij tegelijkertijd. En ook 's nachts baden zij onafgebroken om bijstand en redding van zonden, vechtend tegen de begeerten en de slaap. Op den duur vergaten zij hun lichamen, niets begeerden zij nog dan hun kluis, stilte en gebed.

Van de woestijnvaders, die zelf te bescheiden waren om hun gedachten op papier te zetten en bovendien al hun bezittingen, inclusief bijbel en begerenswaardig schrijfgerei weggaven, zijn 2500 Vaderspreuken overgeleverd, tussen 450 en 500 verzameld en opgetekend door hun leerlingen. De invloed van de spreuken op de kerk is aanvankelijk zeer groot geweest. De spreuken hadden nog een vooraanstaande plaats in de Moderne Devotie (Geert Grote) maar raakten later in het westen in onbruik.

De woestijnvaders bereikten zeer hoge leeftijden. Abt Arsenius werd 95, abt Antonius 105 jaar oud. Sjenoete zou zelfs 112 jaar zijn geworden. Alleen Evagrius van Pontus (345-399) stierf reeds op 54-jarige leeftijd aan de gevolgen van een verstoorde spijsvertering. "Met groot, té groot élan gaf hij zich over aan de monastieke gestrengheden."

Het beoefenen van deugden werd tot in het absurde doorgetrokken. Pronkzucht was uit den boze en dit leidde ertoe dat de monniken hun goede daden in het geniep betrachtten, uit het oog van de andere broeders. "De monniken zorgden er zó angstvallig voor hun prestaties te verbergen voor hun medebroeders, dat het leek of ze een zonde bedreven. Zij trachtten elkaar zelfs te misleiden, hielden zich slapend, zongen geen psalmen, dronken helder water in plaats van brak water."

En wanneer een monnik zich bezondigde aan opschepperij, konden de vaders hem scherp terechtwijzen. Een broeder die aan een feestmaal deelnam, zei tegen de bediende: 'Ik eet geen gekookt voedsel, maar zout.' De bediende riep in aller tegenwoordigheid een andere broeder toe: 'Die broeder daar eet geen gekookt voedsel, breng hem zout.' Een van de ouderlingen stond op en sprak tot die monnik: 'Het ware beter voor u om vandaag in uw kluis vlees te eten dan dat alle aanwezigen dit vernemen.' Vlees eten was wel het laatste waaraan een monnik dacht, maar dat zelfs stiekem in zijn kluis doen, dat klonk uitermate verachtelijk.

Alle citaten en gegevens zijn afkomstig uit Christofoor Wagenaar, Woestijnvaders (1981).



menukaart
augustinus
bijbel