ARISTOTELES
dieren als middelen, de mens als doel




11 juli 1998

menukaart
apollonius
socrates

theoprastus




Aristoteles



      Aangezien de natuur niets onvolledigs maakt, en niets er zomaar voor niets is, moet de conclusie zijn dat de natuur alle dieren gemaakt heeft omwille van de mens. - Aristoteles





Aristoteles (384 - 322 v Chr) was geen vegetariër en hij heeft aan de vraag of het goed is om dierlijk voedsel te eten geen belang gehecht. Men zoekt vergeefs naar een pikant citaat over het eten van vlees. Anders dan zijn leermeester Plato is Aristoteles vooral een man van toegewijde observatie en wetenschap, veel minder een moralist. In de natuurfilosofische geschriften worden dieren gedetailleerd beschreven op een manier die doet denken aan de toewijding waarmee Leonardo da Vinci dieren tekende. we moeten "niet kinderachtig onze neus optrekken voor de studie van minder hoog gewaardeerde diersoorten. In alle voortbrengselen van de natuur schuilt immers iets wondermoois." (644-645) Aristoteles moet vele dissecties hebben verricht op mens en dier. Hier is een voorbeeld van zijn nuchtere, beschrijvende stijl:

Van de buitenkant bekeken is de milt smal en lang, hij lijkt op die van het varken. De lever is bij de grote meerderheid van alle dieren niet voorzien van een galblaas, maar is bij sommige dieren aanwezig. De lever van een mens is rond van vorm, en lijkt op die van een os. En, overigens, de afwezigheid van de galblaas heeft soms gevolgen voor de rituele offerpraktijken waarbij men de toekomst voorspelt. Zo hebben in de Chalcidische kolonie in Euboea de schapen daar geen galblaas; in Naxos echter hebben alle vierpotige dieren een dermate grote galblaas dat het vreemdelingen, wanneer zij offers brengen met deze slachtoffers, van angst doet beven daar zij menen dat dit fenomeen onmogelijk het gevolg kan zijn van natuurlijke oorzaken, en ongeluk afroept over degene die het dierenoffer brengt. - Historia Animalum (boek I, dl. 17).

Vlees eten en dierenoffers waren voor Aristoteles natuurlijk. Hier volgt de onder vegetariërs beruchte rederering uit de Politica. Zoals er binnen het dierenrijk verschillende soorten bestaan - elke soort met zijn natuurlijke voorkeur voor hetzij plantaardig of dierlijk voedsel - zo bestaat er binnen de menselijke samenleving een vergelijkbare natuurlijke verscheidenheid aan agrariërs, 'brigadiers', schaapherders, handelaren, vissers en jagers. De middelen waarmee de mens in zijn levensonderhoud voorziet "lijken gegeven door de natuur zelf" en dit gegeven is van dezelfde orde als het gegeven dat zoogdieren hun jongen zogen met melk. Hieruit valt volgens Aristoteles af te leiden

dat de planten, waarmee dieren zich voeden, bestaan omwille van de dieren en de dieren omwille van de mens; de tamme dieren geven ons voedsel, de wilde dieren - indien niet allemaal, dan toch het grootste deel - dienen voor voedsel en voorzien de mens van kleding en verschillende instrumenten. Welnu, aangezien de natuur niets onvolledigs maakt, en niets er zomaar voor niets is, moet de conclusie zijn dat de natuur alle dieren gemaakt heeft omwille van de mens. - Politics (Book I, Part VIII)

In dit citaat komen drie kernbegrippen uit Aristoteles' denkwereld bij elkaar. Ten eerste is er de natuur als het grote dynamisch (maar essentieel onveranderlijke) en hiërarchisch geordend geheel van alle dieren en planten en de vijf elementen tezamen, waarbinnen alles een doel heeft en waarin "ieder wezen zijn eigen graad en type van volmaaktheid bezit, zodat zij samen één scala naturae vormen" (De Strycker).

Het tweede element is de finaliteit: niets is zonder doel in de natuur, evenmin als in de kunst of de techniek ('art') waarmee Aristoteles de natuur dikwijls vergelijkt. De natuur beoogt steeds het beste. Alleen door het bestaan van de finaliteit kan de regelmaat zoals wij die in de natuur waarnemen, geordend en verklaard worden. (Dit betekent overigens niet dat God in de natuur werkzaam is of dat finaliteit een bewuste ordening is.) Aan de natuurlijke wezens kan men doel- en werkoorzaken toeschrijven: de linde groeit om het type 'linde' zo integraal mogelijk te belichamen (De Strycker).

(Terzijde. Vergelijk het finaliteitsbeginsel met de morfische velden van Rupert Sheldrake: "In dit model worden groeiende organismen gevormd door velden die zowel in als om die organismen bestaan, velden die als het ware de vorm van het organisme bevatten. Dit idee staat dichter bij de Aristoteliaanse traditie dan enige andere traditionele benadering. Als een eikenboom zich ontwikkelt, is de vrucht, de eikel, geassocieerd met een eikenbomen-veld, een onzichtbare organiserende structuur die de groei bepaalt; het is als een mal voor alle eikenbomen, waarbinnen het zich ontwikkelende organisme groeit".

Het derde element is de volmaaktheid. De verschillende realiteiten zijn ongelijk in volmaaktheid. Het imperfecte staat steeds in dienst van het perfecte, zoals een middel zich verhoudt tot een doel. Dieren, die gestuurd worden door primaire gevoelens en honger, zijn duidelijk minder volmaakt dan de mens, die over redelijke vermogens beschikt. Hij is de edelste van alle schepselen (als hij tenminste niet is losgerukt van wet en recht: in dat geval is hij erger dan de beesten). Het is daarom de bedoeling van de natuur dat de mens over de dieren regeert. "Er is niet veel verschil tussen de manier waarop wij tamme dieren en slaven gebruiken", zegt Aristoteles.

Direct aansluitend op het bovenstaande citaat uit de Politica beveelt Aristoteles de jacht en de krijgskunst aan als nuttige oefeningen in de kunst van de mens om iets voor zichzelf te verkrijgen ('art of acquisition'). De mens bekwaamt zich in de jacht en de oorlogsvoering "tegen mensen die, hoewel het door de natuur bedoeld is dat anderen over hen regeren, zich niet willen onderwerpen; een oorlog tegen hen is van nature rechtvaardig". Elders in de Politica legitimeert Aristoteles de oorlog tegen mensen die 'geboren zijn om te dienen' en in hetzelfde verband rechtvaardigt hij de jacht met het oog op voedsel en dierenoffers. Zulk gedrag is 'rationeel'.


De Aristoteliaanse traditie

Aristoteles heeft bijzonder grote invloed uitgeoefend op Griekse filosofie tot aan de middeleeuwen, de renaissance en de achttiende eeuw. Spencer (zj): "As he played a part in medieval Christian thinking, such ambivalence is rather to be regretted, for he was reverend and has helped shape many of our attitudes in society today". En nog later, in deze eeuw, ging de vegetarische Rudolf Steiner bij zijn poging de theosofie te zuiveren van wezensvreemde, oosterse elementen, terug naar Aristoteles-interpretaties van de middeleeuwse theologie.

Met betrekking tot de verhouding dier-mens staat Aristoteles aan het begin van een sterke westerse mainstream waarbinnen dieren een inferieure positie innemen. Nadruk op de superioriteit van de ratio vindt men na Aristoteles bij de stoïci, Augustinus, Thomas van Aquino, Descartes en Kant. Dat vooral Augustinus en Thomas van Aquino "appear to have selectively ignored contrasting, 'pro-animal' arguments" wordt begrijpelijkerwijs door alle pro-vegetarische auteurs betreurd.


Enkele nuances

Er is nu mogelijk een beeld onstaan van Aristoteles als de filosoof van de menselijke superioriteit over de dieren. Enkele nuanceringen zijn daarom op zijn plaats.

Aristoteles had een onderzoekende geest en ook zijn filosofie is geen gesloten systeem geworden. Hij wist hoe moeilijk het is om "om zekere kennis van de ziel te verkrijgen" (On the Soul). Men heeft gewezen op het vloeiend karakter van de Aristoteliaanse onderscheidingen in het algemeen. Daarmee vervloeit ook het strikte onderscheid tussen mens en dier ten gunste van een sterker besef van continuïteit (vergelijk Sax zja).

Net als Plato interesseerde Aristoteles zich vele onderwerpen, waaronder de leer van zarathustra, de ideeën van Pythagoras en de Orfische filosofie. Hij citeert een passage over de ziel: "de orfische gedichten zeggen dat de ziel is geboren uit de wind en dat uit de lucht in de dieren komt waneer deze ademen". Spencer (zj) naar aanleiding van dit citaat: "Aristotle seems here to agree with Pythagoras that animals have souls".

Dit is zeker zo. Alle levende wezens hebben volgens Aristoteles een ziel, "de ziel is in zekere zin het principe van het dierlijk leven", zegt Aristoteles in zijn verhandeling Over de ziel. De ziel is datgene waardoor een wezen zijn voltooidheid bezit. Aristoteles onderscheidt vier vermogens "waarvan de hogere delen de lagere in zich bevatten": het voedende of vegetatieve, het waarnemende of zintuigelijke, het motorische en het verstandelijke (De Strycker).

Er bestaat dus een enorm verschil tussen Aristoteles en Descartes, en dat Descartes dieren reduceerde tot zielloze automaten, daarvoor is in de eerste plaat Descartes verantwoordelijk. Waarschijnlijk zou Aristoteles een fel tegenstander zijn geweest van het nodeloos pijn berokkenen aan dieren. Het zou interessant zijn te weten of Aristoteles zijn onderzoekingen naar de inwendige organen uitsluitend op dode dieren verrichte. De oudst bekende vivisectionisten waren Herofilus en Erasistratus, hippocratische artsen uit het AlexandriŽ van de 3e eeuw v.C. Hun praktijken bleven destijds al niet zonder protest. De empiricisten achtten vivisectie niet alleen wreed en monsterlijk, maar ook niet nuttig. Vivisectie vonden zij een misbruik van het artsenberoep (Rather 1990).

Respect voor de volmaaktheid van de schepping en de schoonheid daarvan vindt men in Aristoteles' uitspraak dat "we alle dieren zonder aversie moeten onderzoeken in de wetenschap dat we in elk van hen iets natuurlijks en schoons aantreffen". Spencer (zj) noemt de positie van Aristoteles ambivalent. Ook Sorabji (1993) relativeert (geciteerd naar Serpell zj):

Aristotle famously claims in the Politics that humans are the only animal capable of logos (though he elsewhere attributes forms of reason and intelligence to animals, for example in the first chapter of the Metaphysics), but his psychological theory as a whole is marked by a narrowing of the scope of reason relative to Plato, and a corresponding increase in the cognitive content of the power of perception (aisthesis), a capacity possessed by all animals. For Aristotle, many animals possess true memory (though not the human power to remind ourselves deliberately of previous perceptions), can learn, and perceive not only immediate sensations but connections, relationships, and rudimentary universals and action-orienting propositions: "Whether or not Aristotle's lion perceives the ox as an ox, it certainly perceives it as a meal" (p. 62). In addition to the power of intentional perception, Aristotle's animals are capable of both passion and voluntary motion, and so are not simply driven about by impulses beyond their control.

Hier is een interessante paradox het overdenken waard. Uit dezelfde bron:

"The very same Stoic and Christian position that so severely downgrades animals insists on the desirability of the community of all human beings, a community that rejects any distinction between masters and slaves, a subject on which Plato and Aristotle are decidedly equivocal". He [Sorabji] thus raises but does not sufficiently consider the question of whether the Stoic denigration of animals was in some sense a necessary price to pay for the concept of a universal human community.




Aristoteles en Plato



Dat de naar het vegetarisme neigende Plato en de niet-vegetarische Aristoteles er vergelijkbare opvattingen over slaven op nahielden, toont aan hoever het antieke wereldbeeld nog verwijderd is van de emancipatiebewegingen uit de laatste twee eeuwen, waarvan ook het moderne vegetarisme een duidelijke exponent is. Dan ziet men de argumenten en motieven binnen het vegetarisme duidelijker overeenkomsten vertonen met die van de andere emancipatiebewegingen ten aanzien van de slaven, vrouwen, kinderen, arbeiders, kunst, religie en sexualiteit. Het verwijt als zouden Aristoteles of Plato 'speciesistisch' zijn (onderscheid maken tussen mens en dier) is daarom een anachronisme: het zou verwonderlijk zijn wanneer zij dat niet waren.

De invloed van Aristoteles beperkt zich gelukkig niet tot de niet-vegetarische filosofen. Zo heeft hij grote invloed uitgeoefend op zijn vegetarische leerling en vriend Theophrastus.





THEOPHRASTUS




10 juli 1998

menukaart
apollonius
socrates



Theophrastus (ca 372 - ca 287) werd geboren in Lesbos en studeerde filosofie in Athene onder Plato. Later werd hij de favoriete leerling en vriend van Aristoteles, van wie hij de bibliotheek en de leiding over het Lyceum in Athene met groot succes overnam. Tijdens zijn leiderschap als 'scholarch' van de 'peripatetische' school had hij meer dan 2000 leerlingen en hij schreef zo'n 200 boeken en verhandelingen, waarvan slechts een zeer klein deel bewaard is gebleven. De Physicorum placita ('Meningen van de natuurfilosofen') behandelt de anatomie en fysiologie van planten en daaraan dankt Theophrastus de eretitel 'vader van de botanie'.

Theophrastus was een 'a true vegetarian' aldus Spencer (zj). In een aantal opzichten was hij het met Aristoteles behoorlijk oneens. Hij had scherpe kritiek op diens finaliteitsbeginsel. "He did not think that animals existed for the sake of humans, and thought killing animals unnecessary and unjust, and that the habit of eating them must have begun when war destroyed crops. If plants and vegetable food were abundant there was no need to eat animal flesh", aldus Spencer (zj). Ook ten aanzien van theoretische discussies over de rationaliteit van mens en dier stond Theophrastus "on the pro-animal side of the ancient debate, the side arguing that the gap between human and animal psychology is not so large" (Serpell zj).



Bronnen

-Aristotle 1994-98a
-Aristotle 1994-98b
-Aristotle 1994-98c
-Rather (1990)
-Ryder (zj)
-Salkever (zj)
-Sax (zja)
-Serpell (zj)
-Spencer (zj)
-Spencer (1993)
-De Strycker (1980)




menukaart
apollonius
socrates